zondag 5 oktober 2008

Vader en kind

Hij zit in ‘t wagentje
Ik duw hem voort
Spreek zachte woordjes
Weet dat hij me niet hoort

Veeg zijn mond schoon
Kleed hem aan
Hij mummelt wat
Ik kan hem niet verstaan
Van kind tot man
Van man tot kind
Van graf tot wieg
Niets wat hem hier nog bindt
Kleine stapjes
Kleine hapjes
Een paar woordjes, onverwacht.
En als hij toch weer even lacht:
Tranen van vreugde
En van verdriet
Hij is mijn vader
En hij is het niet
Een leven in blessuretijd
Een strijd die hij niet wint
Wachtend op het eindsignaal
Tot dan is hij mijn kind

Loes Gouweloos

maandag 15 september 2008

Body Language

‘Dokter, dokter, kijk eens snel,
Ik heb putten in mijn vel!’
‘Dat zijn geen putten.’ ’Welles!’ ‘Nietes!
Mevrouwtje: u hebt cellulitis.’

‘En die rare bruine plekken?
Ik krijg steeds meer moedervlekken!’
‘Maak u daar maar geen zorgen om,
Dat zijn vlekken van ouderdom.’

‘En die blauwe bobbels dan?
Weet u ook hoe dát nou kan?’
‘Dat is niets bijzonders, hoor:
Spataders. Daar heeft u de leeftijd voor’.


* * * * *

Ik kan wel boos worden, of bang,
Maar mijn lijf gaat gewoon haar gang.
Sportschool, yoga, minder frites:
Mijn lichaam is de baas - ik niet.

Hoewel ik al jaren Becel gebruik,
Hangen mijn borsten op mijn buik.
En laatst, zonder enig overleg,
Was opeens mijn taille weg.

Vroeger: toen was alles fijner,
Toen groeide ik – nu word ik kleiner.
Broze botten, dikke dijen,
Grijze haren, pijn bij ’t vrijen,

Gezwollen enkels en een leesbril,
’s Morgens een plas- en ’s avonds een slaappil,
Rimpels op de gekste plekken,
Bruine, rode, blauwe vlekken.

Het ene offer na het andere.
Ik zie mijn hele lijf veranderen.
Ik lever in, er komt niets bij.
Behalve steken in mijn zij…

Wat is de zin, waar gaat dit heen?
Slechts één ding houdt me op de been:
Ik zweet, ik tob en ik lijd pijn
Om ooit een Wijze Vrouw te zijn.


Loes Gouweloos

dinsdag 26 augustus 2008

Woorden

Ik word moe van steeds maar woorden,
't maakt niet uit in welke taal.
Ik wil passie, ik wil dromen:
Niet het boek, maar het verhaal.

Ik hoef niet te horen wat je wilt,
geen gebeden, geen gezangen.
Ik wil weten wat je voelt:
Niet de wens, maar het verlangen.

Geen volmaakte, gladde stemmen,
zuiver zingen raakt me niet.
Laat me horen wat je roert:
Niet de noten, maar het lied.

Achter de woorden zit het meest:
de woede van haar en de angst van hem.
Niet de letter maar de geest.
Niet de woorden maar de stem.


Loes Gouweloos

Weekendarrangement

Een eenpersoonskamer,
Anoniem, voor mij alleen,
Balie, sleutel, lift omhoog,
Elfde etage, kamer 101.

Oude ouders, broos en teer,
Hun eind al jaren ingeluid.
Niet aan denken, even weg,
Even los, de stekker eruit.

Vrienden met problemen,
Helpen moet, dat is mijn taak.
Maar nu niet, geen luisterend oor.
Deur op slot, hoorn van de haak.

Het milieu, de oorlogsdreiging,
De Dow Jones, de AEX.
Ik wil slapen, ik wil dromen,
Terug naar mezelf en verder niks.

'Stop the world, I wanna get off!'
Even vrij zijn, even alleen,
Maandag weer De Steunpilaar,
Maar nu alleen ik, in kamer 101.



Loes Gouweloos

Onsterflijk

Mijn oma:
Zo in bed is ze nóg kleiner,
breekbaar, teer, steeds zwakker met de jaren.

De rimpels en de ingevallen wangen,
de transparante huid, de dunne haren.

Ik kijk en sla de beelden in me op.
Zíj kijkt níet meer, ze staart aan me voorbij.

Haar ogen zien al andere verten,
ze ademt nog, maar is niet meer bij mij.

Onmerkbaar zweeft ze weg, van stof tot lucht,
het is een stap als alle andere.

Haar laatste adem is een zachte zucht.
Ik wéét het wel, maar zie haar niet veranderen.

Vederlicht ligt oma's lichaam op het bed,
haar ziel en die van mij zijn nauw verweven.

Mijn omaatje…, ze ís niet dood:
Ze gaf mij dit gedicht en blijft zo leven.



Loes Gouweloos

Onsterflijk

Mijn oma:
Zo in bed is ze nóg kleiner,
breekbaar, teer, steeds zwakker met de jaren.

De rimpels en de ingevallen wangen,
de transparante huid, de dunne haren.

Ik kijk en sla de beelden in me op.
Zíj kijkt níet meer, ze staart aan me voorbij.

Haar ogen zien al andere verten,
ze ademt nog, maar is niet meer bij mij.

Onmerkbaar zweeft ze weg, van stof tot lucht,
het is een stap als alle andere.

Haar laatste adem is een zachte zucht.
Ik wéét het wel, maar zie haar niet veranderen.

Vederlicht ligt oma's lichaam op het bed,
haar ziel en die van mij zijn nauw verweven.

Mijn omaatje…, ze ís niet dood:
Ze gaf mij dit gedicht en blijft zo leven.



Loes Gouweloos

Ongrijpbaar

Zet een hek om honderd bomen,
Laat de bloemen er niet komen.
Maar ze barsten uit hun knoppen,
Niemand kan het bloeien stoppen.

Zet een dam in kolkende stromen,
Laat het water niet meer komen.
Maar wat vloeit komt toch naar buiten,
Niemand kan de golven stuiten.

Sla de deur dicht van mijn cel,
Observeer me elke tel.

Maar ik heb nóg idealen,
Mijn gedachten zijn van mij.

Wat ik wil blijf ík bepalen,
Mijn dromen, daar kan niemand bij.

* * *

Zet een hek om honderd bomen.
Zet een dam in kolkende stromen.
Schop me, sla me, folter mij:
In mijn dromen ben ik vrij.



Loes Gouweloos

Bestemming onbekend

Zomaar op weg, op de bonnefooi,
Fietsen door het Friese land.
Hitte, ruimte, stilte: mooi,
Het ruisen van mijn achterband.

Weidsheid, groen, een harde wind.
Dan: Rinsumageest… twee straten maar.
Een oud kerkje, snerpend grind,
Een grote sleutel, zwart en zwaar.

Geknars, gepiep, de deur kraakt open.
Koelte, rust, sereniteit,
Dromerig over zerken lopen,
Dwalen door de eeuwigheid.

Dan terug, wind die al went,
Het is een mooie dag geweest.
's Morgens bestemming onbekend,
Nu diep verankerd: Rinsumageest.


Loes Gouweloos

1e Prijs Poëzie, Schijfwedstrijd Literair Café Alphen aan den Rijn, januari 2000

Mijn moeder

Mijn moeder is een vreemde,
ik heb haar nooit gekend.
Geboren uit haar lichaam,
maar nooit aan haar gewend.

Hetzelfde vlees, hetzelfde bloed.
Twee zielen, twee gedachten.
Ze zoogde me, ze troostte me,
maar ík huilde als zíj lachte.

Kijkend naar mijn moeder denk ik:
Ik weet niet wie je bent.
Ik zal altijd van je houden
maar ik heb je nooit gekend.



Loes Gouweloos




Mijn moeder

Mijn moeder is een vreemde,
ik heb haar nooit gekend.
Geboren uit haar lichaam,
maar nooit aan haar gewend.

Hetzelfde vlees, hetzelfde bloed.
Twee zielen, twee gedachten.
Ze zoogde me, ze troostte me,
maar ík huilde als zíj lachte.

Kijkend naar mijn moeder denk ik:
Ik weet niet wie je bent.
Ik zal altijd van je houden
maar ik heb je nooit gekend.



Loes Gouweloos

Ruimte (voor Jaap)

Ruimte had hij nodig,
ruimte, lucht en licht.
Waar hij woonde, waar hij werkte,
de wind in zijn gezicht.

Ruimte had hij in zijn hart
voor zijn vrienden, voor zijn vrouw,
voor de natuur, voor zijn muziek,
dat is waar hij voor leven wou.

Ruimte eiste hij vastberaden
van ieder die hem tot iets dwong.
Dan kwam zijn leeuwenhart in opstand,
dat hart dat droeg hij op zijn tong.

Als zijn ruimte werd bedreigd,
vocht hij ongenadig fel
met oerkracht, dus hij won altijd,
niemand kreeg hem in een cel.

* * *

Een cel op zoek naar ruimte
sloop in hem voort, als een dief in de nacht.
Voor hij het wist, was hij geveld,
hier hielp zelfs niet zijn leeuwenkracht…

Strijdend tot het einde toe,
betrad hij de ruimte aan het eind van zijn pad.
'Hij had nog zoveel willen doen…'
Wel ruimte, maar niet genoeg tijd gehad.


Loes Gouweloos

Wezen

Wezen

We zijn onze moeder kwijt.
We weten ons geen raad.
We razen over het asfalt
En zijn voortdurend kwaad.

Eens per maand een snel bezoek
In grote kille oorden.
Nooit meer echt kijken in haar ogen
Of luisteren naar haar woorden.

Nooit meer rusten in het gras
Nooit stil meer of bedaard.
Nooit meer contact met onze Moeder.
Verward, verweesd, ontaard.



Loes Gouweloos

Verweesd

En toen, toen was mijn moeder dood.
Ik was het die haar ogen sloot.

Mijn moeder: vaak onredelijk,
Soms ronduit irritant.
Maar als ik echt problemen had,
Dan pakte zij mijn hand.

Dan voelde ik dat haar liefde
Die van elk ander sloeg.
Onvoorwaardelijk, onbaatzuchtig:
Ik was haar kind, dat was genoeg.

* * * * *

Haar laatste adem blies zij uit
Met alleen mij erbij.
Een dikke traan rolde over haar wang,
Die was alleen voor mij.

Toen was het over en voorbij
Verdoofd en verweesd zat ik aan haar zij:

Waar bén je nou Ma?
Wat moet ik nou doen?!
Ik streelde haar lokken,
Ik gaf haar een zoen.

* * * * *

Die het meest van mij hield,
Die is er niet meer.
Nog meer dan het gemis
Doet dat ondraaglijk veel zeer.

* * * * *

Ik was het die haar ogen sloot
Mijn liefste van allen, mijn moeder is dood.



Loes Gouweloos
3 mei 2008

Verdwaald

Ze leven hun leven in de schaduw
Van ouders, chef, hun man of vrouw.
De blik omlaag, met een verlegen glimlach
Blijven ze stil en eeuwig trouw.

Onopgemerkt doen ze hun werk.
Ze schuifelen met hun beste beentje voor.
Ze zwijgen weerloos als de anderen hen kwetsen
Ze slikken en ze stamelen - en gaan door.

Net iets anders dan de anderen,
Altijd net een stap te laat.
De losers die het steeds weer net niet halen.
Ze doen hun best en geen vlieg kwaad.

In de kantlijn van het leven
Langs de stoeprand, in de goot:
Vreemdelingen die verdwaald zijn
Van hun geboorte tot hun dood.

Niemand tot last, ze klagen nooit.
Onzichtbaar, struikelend, zacht en broos.
Gelukkig heeft een dichter ooit geschreven:
'Alles van waarde is weerloos'.


Loes Gouweloos

Sonnet

Sonnetten schrijven valt niet mee,
want vorm en lengte zijn strak bepaald.
Tweemaal -ab-, -cd-, -ef- , één -gg -
Wie dat lukt, heeft het gehaald.

Maar dat is weinigen gegeven,
het vraagt om precisie en talent.
Ik probeer het al mijn hele leven
maar heb nog nooit succes gekend.

Toch wil ik heel graag één keer slagen:
Veertien regels: drie maal vier, een maal twee.
Maar ik voel mijn moed alweer vervagen,
opnieuw viel het sonnet niet mee.

Een uur geploeter en 't is wéér pet!
Nog altijd heb ik geen sonnet…


Loes Gouweloos

Oerritme

Het ritme van de branding
is er al miljarden jaren.
De golven sloegen op de kust
lang voor er mensen waren.

En als de mensheid is verdwenen
zal de branding er nóg zijn.
Hetzelfde ritme, eeuwenlang.
Ik kijk naar de zee en voel me klein.



Loes Gouweloos

Moeder, bedankt!

'Er valt met jou niks te beginnen',
zei mijn moeder altijd weer.
'Krijg je een beer, dan wil je een pop,
krijg je een pop, dan wil je een beer.'

Ik mocht zelfs viool gaan spelen -
Wát een voorrecht, wát een eer!
Maar ik wilde een gitaar,
dus begón mijn moeder weer:

'Wat ik ook voor jou bedenk,
je dóet het niet. Hoe komt dat nou?'
En ze gaf me roze kleren,
terwijl ik liever blauwe wou.

Ik kreeg zelfs een roze tutu,
en toen moest ik op ballet.
Ik weigerde, en mocht toen kiezen:
Pas de deux of Ma Jorette…

Maar ik wilde geen van beide,
en ook niet in een meisjeskoor.
En later wilde ik studeren.
en niet werken op kantoor.

Zo ging het heel mijn leven verder,
tot mijn moeders diep verdriet.
Ik deed nooit wat zij graag wilde,
en wat ík wou, dat mocht ik niet.

Toch moet ik haar dankbaar zijn,
ik had meer geluk dan pech:
Ik leerde om mezelf te blijven,
ik ging mijn eigen wijze weg.

Kinderen die zich verzetten,
die nooit doen wat hun moeder zegt,
blijven heel hun leven echt,
die komen allemaal terecht!



Loes Gouweloos


Eervolle vermelding landelijke Annie M.G. Schmidt Schrijfwedstrijd 2002

Droom

Soms droom ik dat ik alles ben,
niets dan leegte om me heen.
Dat zijn mijn ergste angsten:
ik ben moederziel alleen.

Dan word ik wakker als ik sterf:
al wat was heb ik gedroomd.
Nu ben ik ontwaakt en word
door oneindigheid omzoomd.

Ik alleen in het grote niets,
er zijn geen andere mensen.
Het enig levend wezen
in een ruimte zonder grenzen.

Er bestaat geen tijd, geen wereld,
totaal niets om mij heen.
Een lange lege stilte,
eeuwig onsterflijk alleen.



Loes Gouweloos

Samen

Man en vrouw
willen één:
altijd samen,
nooit meer alleen.
Maar samen uit
wordt altijd samen thuis;
steeds minder te zeggen,
samen zwijgen voor de buis.

De herfst van het leven,
Moe, maar niet tevree.
Ze hebben nog maar even
in een serviceflat voor twee.
Samen naar de eetzaal,
met rollator, want dat been…
dan weer naar de kamer,
samen alleen.

Dan sluit er één de ogen
en gaat zachtjes heen.
De ander, niet meer samen,
is eindelijk alleen.
Maar samen was gaan wennen,
alleen ben je niet heel.
Samen ging beklemmen,
maar vrijheid is teveel

Uitzien naar het einde,
naar samen in het groot.
Samen alleen, een leven lang,
nu alleen verlangen naar de dood.


Loes Gouweloos

Gigagenieten

Altijd licht, ook in de nacht,
De tuinbouw draait op volle kracht.

Altijd aardbeien, het hele jaar tomaten.
Elk seizoen hetzelfde, alles zonder mate.

Shell-stations, avondwinkels, nooit meer dicht,
Nooit meer donker, altijd licht.

In het weekend alles open.
De kerken leeg - de mensen kopen.

Kermis en carnaval het hele jaar door:
Het leven is kort, we gáán er voor!

Niet dromen, niet denken, alleen maar doen.
Kopen, lenen, uitgeven die poen.

Geen vis meer op vrijdag, geen zondagse kleren,
Snuiven en spuiten en potverteren.

Parties, vakanties - veel, meer, meest:
Altijd wat te vieren, nooit meer feest.



Loes Gouweloos

Gigagenieten

Altijd licht, ook in de nacht,
De tuinbouw draait op volle kracht.

Altijd aardbeien, het hele jaar tomaten.
Elk seizoen hetzelfde, alles zonder mate.

Shell-stations, avondwinkels, nooit meer dicht,
Nooit meer donker, altijd licht.

In het weekend alles open.
De kerken leeg - de mensen kopen.

Kermis en carnaval het hele jaar door:
Het leven is kort, we gáán er voor!

Niet dromen, niet denken, alleen maar doen.
Kopen, lenen, uitgeven die poen.

Geen vis meer op vrijdag, geen zondagse kleren,
Snuiven en spuiten en potverteren.

Parties, vakanties - veel, meer, meest:
Altijd wat te vieren, nooit meer feest.



Loes Gouweloos

Mijn opa

Kaarsrecht zit mijn opa op zijn stoel.
Gemanicuurde handen, zijden das, driedelig pak,
Zijn dikke witte haardos onberispelijk gekamd,
Naast hem een fonkelend glas cognac.

Zijn rug doet pijn, hij loopt niet meer zo snel,
Want opa is al ver over de tachtig.
Maar hij wil nog alles zien en alles horen.
En zijn ogen twinkelen jongensachtig prachtig.

In mijn poëziealbum schrijft hij een zelfgemaakt gedicht:
'Dat deze regels lang mogen beklijven,'
Met zwierige letters en een lach op zijn gezicht:
'En Opa daarbij in uw herinnering blijven'.

's Avonds kijkt hij naar zijn gloednieuwe tv:
Ziet de Beatles, en de landing op de maan.
Dat hij dat nog allemaal mee mag maken.
En Vietnam, hoe zal dat verder gaan?

Er waren nog geen auto's, nog niet eens een fiets
toen hij geboren werd, in 1888.
En nu lopen er mensen op de maan
Hij staat van niets verbaasd, hij vindt het prachtig.

Zo is hij tot zijn laatste dag gebleven
Trots, kritisch, fel, geïnteresseerd.
Hij haalde alles uit zijn lange leven,
Dat is wat ik van opa heb geleerd.



Loes Gouweloos

Nooit meer terug (najaarsdepressie)

De zomer is ten einde
De wind wordt guur en schraal
De dagen telkens korter
De bomen naakt en kaal

Geeft niet, treur niet,
Er komt wéér een voorjaar
Dan zal alles weer bloeien
Vanaf de eerste hazelaar

De winter is ten einde
De lucht wordt zwoel, benauwd
Verlamt je, maakt je lomer
Glijdt leeg voorbij, de zomer

* * *

Seizoenen komen, seizoenen gaan
Sluiten weer aan achterin de rij.
Elk jaar een nieuwe lente
Maar elke lente een jaar voorbij.



Loes Gouweloos

Levensangst

Klein en alleen,
bang voor de nacht,
bang voor het donker,
het kind huilt zacht.

Het kind wordt groot,
kan de wereld aan.
Voor niets meer bang:
grote-mensen-waan.

Jaren later,
opeens zó moe,
valt het harnas af:
angst slaat weer toe.

Over de helft:
weer een kind in de nacht.
Bang in het donker
voor wat er wacht.



Loes Gouweloos

Hollands drieluik

1. 'In alle gewesten'

Denkend aan Holland
zie ik bonte kolossen
traag door oneindig
laagland gaan.
rijen ondenkbaar
logge kuddes
in grote getale
tot aan den einder staan;
níet in de geweldige
ruimte verzonken:
té veel, té vet,
overal in het land,
zwarte, gevlekte,
rode en bruine,
koetjes en kalfjes
in een groots verband.
de stank is er hevig
en de vlaai wordt er langzaam
onder hoeven en voeten
al dampend gesmoord.
en in alle gewesten
is 't geloei van de koeien
tot het einde der tijden
iets wat bij Holland hoort.


2. 'De stem van de mater'

Denkend aan Holland
zie ik wapp'rende manen
traag voor de koets
over 't Binnenhof gaan,
rijen ondenkbaar
domme onderdanen
als klappend vee
langs de route staan;
en in de eeuwenoude
Ridderzaal elk jaar
de poppenkast,
bestoft en gedwee,
Bea in iets blauws,
het masker van Claus,
leden der Staten Generaal,
en het volk voor de TV.
de sfeer is er braaf
en de Rede wordt langzaam
gesproken, in holle
frasen, stijfjes maar luid,
en bij alle burgers
gaan de woorden van 't Staatshoofd
het ene oor in
en het andere uit.

3. 'Gevreesd en gehoord'

Denkend aan Holland
zie ik kale Mariniers
snel en bloeddorstig
over de Dam heen gaan,
rijen ondenkbaar
lege hoofden
als verbeten gekken
op hippies inslaan;
en over het geweldige
plein moeten ze rennen
voor hun leven,
verspreiden zich door de stad,
uit alle landen,
naïef maar vredelievend,
verdreven door de stem des volks,
een bijna-bloedbad;
de sfeer is er grimmig
en de zon maakt snel plaats
voor duisternis: geen Peace,
geen Love, maar bloed,
en in de gewesten
knikt Holland instemmend,
tevreden en gerust:
alles is weer goed.


Loes Gouweloos (met dank aan H. Marsman)

Geheime gelofte

The Secret Marriage (Sting)

No earthly church has ever blessed our union.
No state has ever granted us permission.
No family bond has ever made us two.
No company has ever earned commission.

No debt was paid, no dowry to be gained.
No treaty over border land or power.
No semblance of the world outside remained
to stain the beauty of this nuptial hour.


The secret marriage vow is never spoken.
The secret marriage never can be broken.


No flowers on the altar.
No white veil in your hair.
No maiden dress to alter.
No Bible oath to swear.


The secret marriage vow is never spoken.
The secret marriage never can be broken.





Geheime Gelofte

Een band nooit ingezegend door de kerk.
Toestemming van de staat was overbodig.
Niet verenigd door familiebanden.
Behalve elkaar, hebben wij niemand nodig.

Geen schulden en geen huwelijksschat.
Compromissen gaan niet samen met beloven.
De buitenwereld blijft de wereld buíten ons.
De band, de schoonheid, staan daarbóven.


De geheime gelofte, nooit uitgesproken:
De geheime gelofte wordt nooit gebroken.


Geen bloemen op het altaar.
Geen bruidsjurk, geen boeket.
Geen sluier in mijn haar.
Geen Bijbel, geen gebed.


De geheime gelofte, nooit uitgesproken:
De geheime gelofte wordt nooit gebroken.



Loes Gouweloos

Avondmis

Een zachte zomeravond,
vlak voor zonsondergang.
Alleen in een kerkje,
voor het altaar, op een bank.

De gezangborden leeg,
geen gebeden, geen koor:
Het geluid van de stilte
is al wat ik hoor.

Geen preken, geen wierook,
zelfs geen orgelmuziek.
Gedoofde kaarsen, verwelkte bloemen,
het geluid van de eeuwige stilte - en ik.

Eeuwenoude bijbels: prachtig,
maar ik laat ze dicht.
Hier zijn woorden overbodig,
in deze kerk in 't avondlicht.

Even iets dichter bij de hemel.
Ik vouw mijn handen, huiverend.
Dat komt door die stilte, die razende stilte,
die stilte die alles overstemt.

Terug over 't kerkhof, de zon is al onder.
's Nachts kan ik de klokken horen.
Maar 't is niet als de stilte, die hemelse stilte.
Het geluid van die stilte galmt na in mijn oren.



Loes Gouweloos

Kringloop

En dan opeens word je geboren,
Of je wilt of niet.
Je schreeuwt, je laat je horen,
Je protesteert, je komt, je ziet.

De eerste twintig jaar
Moet je van alles leren.
Maar dan, dan ben je klaar:
Je kunt gaan incasseren.

Je werkt en je bemint,
Je wint, je verliest, je lacht.
Je verliest vooral het kind.
Je wint aanzien, je verliest kracht.

Maar dan, dan word je wijs.
Het genieten kan beginnen.
Eindelijk heeft de reis
Nu zin: horen, zien, bezinnen.

En dan opeens, of je wilt of niet,
Dan ben je weer alleen.
Het einde van je levenslied:
Je kwam, je zag, en je verdween.



Loes Gouweloos