Zie ik je overal.
En langzaamaan besef ik
Dat dat zo blijven zal.
Ik kom je tegen in mijn dromen,
Je praat, je lacht, je zucht.
'k Kijk naar je lege stoel en zie je zitten,
Ik pak je bloes en ruik je zoete lichaamslucht.
Toen je nog hier was, zei je me vaak weinig.
Maar nu, bij 't slapen gaan en in het einde van de nacht
Zoek je me op, hoor ik je stem voortdurend in mijn hoofd,
Alsof jij in de Grote Stilte steeds trouw verlangend op me wacht.
Het zal wel slijten, dacht ik in 't begin.
Maar toen jij stierf in mei, werd je in mij opnieuw geboren:
Nu jij er niet meer bent
Ben je er meer dan ooit tevoren.
Loes Gouweloos
februari 2011
februari 2011